De deeltijdbehandeling, ofwel het vechten in tweestrijd

 

Al twaalf jaar is mijn eetstoornis mijn beste vriend. En mijn grootste vijand. De eerste zes jaar was mijn eetstoornis er helemaal voor mij alleen. Ik werd minder mezelf en meer de ziekte, zoals ze dat zo verschrikkelijk kunnen zeggen. Hoe dan ook, op mijn zeventiende veranderde dit. Ik ging in therapie. Ambulante gesprekken bij een psycholoog, diëtiste en een zelfhulpgroep in. Ik dacht dat ik het wel ‘eventjes’ op zou lossen. Ook zag ik het probleem nog niet echt. Dit veranderde naarmate ik langer in therapie zat. Ja, die eetstoornis was inderdaad verdomde lastig. Maar ook ontzettend veilig en vertrouwd. En daarom des te moeilijker te bevechten.

 

Inmiddels ben ik al heel wat jaar aan het vechten. Ben ik al beter? Nee. Soms vraag ik me af of die uitkomst er überhaupt is. Maar ik ben maar zo vrij om - op momenten dat ik meer mezelf ben dan mijn eetstoornis - te blijven hopen dat ik ooit echt eetstoornis-vrij ben. Dat ik ook ‘gezellig mee kan eten’. En dat die gedachtenchaos ooit gaat liggen.

 

Daarom koos ik ervoor om, na een zomer waarin ik een flinke terugval had, toch weer in therapie te gaan. Dus kwam er een intake en een uitkomst hiervan: een tweedaagse deeltijd. De meest intensieve vorm van therapie die ik tot nu toe heb gehad. Ondanks het voelt dat het er tijd voor is (zeven jaar met verschillende soorten therapie was ik ook wel zat), is het een grote stap. Want nu moesten er dingen gaan veranderen in mijn leven. Niet alleen moest ik minder gaan werken en mijn opleiding op een lager pitje zetten, ook met betrekking tot eten (en niet eten) heeft dit een grote invloed.

 

Op het moment dat je eventjes geen therapie hebt, sluipt je eetstoornis er zo gemakkelijk weer in. Je hebt zelf vaak niet eens door dat je bijvoorbeeld weer begint met het overslaan van tussendoortjes, of het minderen van broodbeleg. Wanneer je in therapie zit, word je hier weer enorm alert op gemaakt. En dat zorgt voor ontzettend veel angst. Ik leef al langer met eetstoornis dan zonder. Dus het opgeven van al mijn veilige regeltjes en gedragingen roept flink wat weerstand op.

 

Helaas houdt die weerstand niet daarbij op. Ik moet dus langzaam al je ‘praktische’ eetstoornisgedragingen aanpassen, zoals mijn manier van eten en compenseren. Maar ik moet ook aan ‘het onderliggende’ gaan werken. De hele dag zit ik in een rollercoaster van emoties. Daar ben ik me normaal gesproken veel minder bewust van. Of misschien negeer ik het ook wel een beetje, met behulp van mijne eetstoornis. In therapie krijgen al deze gevoelens en gedachten de aandacht. Ik bevind me in een doorgaande strijd en in die sessies moet je dit bespreekbaar maken. Genoeg dus om na een dag helemaal kapot thuis te komen.

 

Toch ga ik het aan. Het heftiger worden van emoties, het nóg meer nadenken over (niet) eten, de vermoeidheid. Omdat ik geloof dat kiezen voor mijn eetstoornis gelijk staat aan kiezen voor de gemakkelijke weg. En ik geloof dat het leven mij meer te bieden heeft dan die gemakkelijke weg. Dat er ontzettend veel toffe dingen te doen en beleven zijn, zelfs in het alledaagse, waarvan ik ooit nog écht wil gaan genieten. Dat kan alleen als ik eerst kies voor die moeilijke weg. Het recht in de ogen kijken van mezelf. Mijn angsten aangaan en in ieder geval mijn best doen om beter te worden.

© 2016 2B-eat